Een kind kan vrienden hebben, meespelen op de speelplaats en sociaal prima functioneren en zich toch alleen voelen. Bij hoogbegaafde kinderen vertelt de vraag “Heeft hij/zij vriendjes?” daarom lang niet altijd het hele verhaal.
Soms zit het verschil tussen erbij zijn en erbij horen in iets heel kleins.
Een kind uit mijn praktijk startte op 1 september in het eerste leerjaar op een andere school. Een bewuste keuze, onder andere omdat daar meer hoogbegaafde kinderen waren en de kans op aansluiting met ontwikkelingsgelijken groter was.
Na die eerste schooldag kwam het thuis en zei tegen mama: “Ik ben wel grappig.” Een eenvoudig zinnetje, maar er zat een hele wereld achter. Voor het eerst waren er kinderen die zijn humor begrepen. Zijn grapjes kwamen aan. Andere kinderen moesten erom lachen. Het kind was die dag natuurlijk niet plots grappiger geworden.
De omgeving was veranderd.
En door de reactie van anderen ontdekte het iets over zichzelf wat voordien blijkbaar veel minder ruimte had gekregen: “Hé, dit stukje van mij wordt hier begrepen.” Dat is wat verbinding kan doen.
Vrienden hebben is niet hetzelfde als je verbonden voelen
Wanneer we willen weten hoe een kind of een jongere sociaal functioneert, kijken we vaak naar wat zichtbaar is.
- Heeft het vriendjes/vrienden?
- Speelt het mee tijdens de speeltijd / Is er contact met anderen tijdens de pauzes?
- Wordt het uitgenodigd voor verjaardagsfeestjes/ Zijn er naschoolse contacten?
- Is er samenwerking in de klas met anderen mogelijk en loopt dat vlot?
- Staat het kind of de jongere alleen op de speelplaats?
Dat zijn relevante observaties. Maar ze vertellen niet noodzakelijk hoe een kind of jongere zijn/haar relaties ervaart. Dit kind of deze jongere kan immers perfect geleerd hebben hoe zich sociaal te bewegen in een groep en toch het gevoel hebben: “Niemand begrijpt mij echt.”
Erbij horen gaat over meer dan fysiek deel uitmaken van een groep. Het gaat ook over herkenning. Je humor kunnen gebruiken zonder hem achteraf te moeten uitleggen. Enthousiast kunnen vertellen over iets wat je fascineert. Gedachten kunnen delen die bij iemand anders iets oproepen.
En vooral: niet voortdurend een stukje van jezelf hoeven aanpassen om aansluiting te vinden.
Waarom verbondenheid zoveel invloed heeft
De zelfdeterminatietheorie van Deci en Ryan helpt om te begrijpen waarom dit zo belangrijk is. Volgens deze theorie hebben mensen drie psychologische basisbehoeften: autonomie, competentie en verbondenheid.
- Autonomie gaat over ervaren dat je jezelf mag zijn, keuzes kunt maken en invloed hebt op wat je doet.
- Competentie betekent ervaren dat je iets kunt, kunt groeien en effectief kunt omgaan met wat van je gevraagd wordt.
- Verbondenheid gaat over je geaccepteerd, gezien en verbonden voelen met anderen.
Wanneer een omgeving deze drie psychologische basisbehoeften ondersteunt, heeft dat een positieve invloed op het welbevinden en op de kwaliteit van de motivatie. En precies daar wordt het interessant wanneer we naar hoogbegaafden kijken. Want een hoogbegaafde kan voldoende sociale contacten hebben en toch weinig verbondenheid ervaren.
“Er is hier iemand die mij begrijpt”
Voor een hoogbegaafde leerling kan aansluiting soms ontstaan op andere dingen dan leeftijd alleen: een gedeelde interesse, een vergelijkbare manier van denken, humor, taalgebruik, intensiteit., snelheid, de behoefte om ergens eindeloos over door te praten. Wanneer een hoogbegaafde iemand ontmoet bij wie dat wél past, kan er iets veranderen.
- Men ervaart verbondenheid: “Iemand begrijpt mij.”
- Maar mogelijk ook competentie: “Wat ik zeg of doe heeft betekenis voor anderen.”
- En autonomie: “Ik hoef hier minder van mezelf weg te stoppen.”
De drie basisbehoeften staan dus niet netjes los van elkaar. Ze beïnvloeden elkaar. En dat kan uiteindelijk ook zichtbaar worden in hoe een kind of jongere zich voelt en hoe zich dat op school manifesteert.
Waarom sommige kinderen tijdens de speeltijd liever bij de leraar staan
Nog zo’n situatie die ik regelmatig tegenkom in mijn praktijk: een kind dat tijdens de speeltijd telkens opnieuw de leraar opzoekt. Dat kan voor een leraar behoorlijk lastig zijn. Heel begrijpelijk ook. Een speeltijd is niet alleen pauze voor leerlingen. Een leraar wil misschien even iets drinken, met een collega praten, iets praktisch regelen of simpelweg een paar minuten ademruimte. De reactie ligt dan voor de hand: “Ga nu maar even naar de anderen.”
Maar misschien is het interessant om vóór die reactie nog één andere vraag te stellen: “Wat vindt deze leerling in het contact met deze volwassene die het op dat moment elders niet vindt?”
In plaats van alleen te proberen de leerling bij de leraar weg te krijgen, kunnen we onderzoeken welke behoefte het daar probeert te vervullen en waar het die nog zou kunnen vinden. Het gedrag van de leerling kan ons wél informatie geven. Bij een andere leerling? Een ontwikkelingsgelijke? Een verrijkingsgroep? Een gezamenlijke interesse? Een andere activiteit of context? Dat opent heel andere mogelijkheden.
Sociaal-emotioneel achter? Misschien moeten we eerst verder kijken
Wanneer een hoogbegaafde leerling weinig aansluiting vindt bij leeftijdsgenoten, wordt soms al snel gedacht dat er iets schort aan de sociale of emotionele ontwikkeling. Maar moeilijk aansluiting vinden betekent niet automatisch dat een kind of jongere niet kán verbinden. De context doet ertoe. Het kind uit het eerste leerjaar had tijdens de zomervakantie niet plots geleerd hoe het grappig moest zijn. Er waren ineens kinderen die zijn grap begrepen. Daarom is het interessant om niet alleen te observeren of een hoogbegaafde contact maakt, maar ook:
- Met wie lukt het wél?
- Wanneer zien we het kind of de jongere ontspannen?
- Bij wie praat hij/zij spontaan?
- Welke contacten zoekt het zelf op?
- Waar kan hij/zij enthousiast zijn zonder zichzelf af te remmen?
- Wanneer zien we een heel andere versie verschijnen?
Dat vertelt ons vaak veel meer dan alleen het aantal contacten.
En wat als ook de motivatie afneemt?
Verbondenheid lijkt op het eerste gezicht misschien vooral een sociaal-emotioneel thema. Maar de zelfdeterminatietheorie laat zien waarom het ook relevant is wanneer we naar motivatie kijken.
Een leerling doet steeds minder mee, toont weinig interesse, trekt zich terug, werkt alleen nog wanneer een onderwerp hem/haar écht boeit of lijkt steeds minder bereid om inspanning te leveren. Dan stellen we gemakkelijk de vraag: “Hoe krijgen we deze leerling opnieuw gemotiveerd?” Maar motivatie ontstaat niet in een vacuüm. Misschien moeten we daarom soms eerst onderzoeken wat er gebeurt met de drie psychologische basisbehoeften.
- Ervaart deze leerling voldoende autonomie?
- Kan hij/zij ervaren dat hij/zij competent is én zich verder kan ontwikkelen?
- En voelt hij/zij zich verbonden met andere leerlingen, leraren en zijn schoolomgeving?
Soms ligt de eerste stap naar meer motivatie dan ook niet in nóg harder proberen de hoogbegaafde te motiveren, maar in anders kijken naar de omgeving waarin we verwachten dat die motivatie ontstaat.
Stel eens een andere vraag
Wanneer een hoogbegaafde leerling weinig aansluiting lijkt te vinden, hoeven we dus niet meteen te vragen: “Hoe zorgen we ervoor dat dit kind beter in de groep past?”
Probeer eens: “Bij wie en wanneer zie ik dit kind of deze jongere wél helemaal zichzelf zijn?”
En ga vandaaruit verder. Dan wordt erbij horen veel meer dan de vraag of een kind voldoende vriendjes heeft.
Het wordt de vraag: “Wat heeft dit kind nodig om zich hier thuis te voelen én tot ontwikkeling te komen?”
Praat er eens over
Dat klinkt eenvoudig. Maar aan een kind vragen “Voel jij je voldoende verbonden?” zal waarschijnlijk niet het meest boeiende gesprek opleveren. 😉 De vragen die we stellen, maken verschil. Daarom maakte ik bij dit artikel een gratis Intellectum-poster met gespreksvragen rond erbij horen. De vragen helpen ouders én professionals om samen met een kind verder te kijken dan “Heb je vriendjes?” Ze nodigen uit om te praten over verbinding, jezelf kunnen zijn, gezien worden en je plaats vinden tussen anderen.
Download hier gratis de poster ‘Erbij horen’ door op de afbeelding te klikken.
Hang hem thuis, in de klas, in het zorglokaal of gebruik hem gewoon om af en toe één vraag uit te pikken. Je hoeft ze zeker niet allemaal achter elkaar te stellen.
Eén goede vraag en écht luisteren naar het antwoord kan al verrassend veel zichtbaar maken.
Hulp nodig bij hoogbegaafdheid en aansluiting?
Wanneer een kind of jongere zich langdurig anders voelt, zichzelf voortdurend aanpast, moeilijk aansluiting vindt of wanneer dit begint door te wegen op het welbevinden of de motivatie, kan het zinvol zijn om verder te onderzoeken wat er speelt. Binnen Intellectum begeleid ik kinderen, jongeren en ouders rond hoogbegaafdheid en denk ik ook samen met scholen en professionals na over wat een leerling nodig heeft. Niet met als doel een kind te leren beter in een bestaand plaatje te passen. Wel om te ontdekken wat nodig is om zichzelf te kunnen zijn, zich verbonden te voelen én tot ontwikkeling te komen.


